VincentHunink



HOME VERTALINGEN | ALLE PUBLICATIES | INDEX | CONTACT





CICERO
Het bestaan van de Goden
(De natura deorum)

vertaling Vincent Hunink, inleiding Rogier van der Wal
Damon, Eindhoven 2018

x

ISBN 978 94 6340 133 3; ca. 224 p.; prijs € 24,90



De Grieks-Romeinse cultuur is ondenkbaar zonder goden. Hun tempels en afbeeldingen, en vooral hun talrijke verhalen vervulden de wereld. Maar bestonden de klassieke goden ook echt, en zo ja, wat deden zij? Daarover debatteerden vooral fi losofen. En die waren het, zoals vaak, grondig met elkaar oneens. De volgelingen van Epicurus zagen voor goden een minimale rol weggelegd, terwijl de invloedrijke Stoďcijnen goddelijke machten juist overal werkzaam zagen. Beroepstwijfelaars zoals de Academici lieten de zaak bij voorkeur open.

De verschillende ideeën over goden staan handig bij elkaar in een belangrijk en invloedrijk boek uit de oudheid zelf. Het is geschreven door de Romeinse staatsman, redenaar en schrijver Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.). In de klassieke vorm van een dialoog tussen geleerde heren laat Cicero de meest essentiële vragen en antwoorden de revue passeren. Natuurlijk strooit hij gul met citaten, vooral van dichters.

In Het bestaan van de goden komen Griekse filosofie en Romeinse literatuur prachtig samen.

De vertaling is een heruitgave van een tekst die in 1993 verscheen bij Athenaeum - Polak & Van Gennep. De vertaling is licht bewerkt en voorzien van een nieuwe inleiding door Rogier van der Wal.





Fragment


 

[Uit het betoog van de Stoďcus Balbus:]

"Ik zeg dus dat de wereld en alle delen van de wereld door de voorzienigheid der Goden in den beginne zijn gemaakt en te allen tijde worden bestuurd. Deze stelling wordt in onze school doorgaans in drie onderdelen gesplitst. Het eerste deel is afgeleid van het argument dat de Goden bestaan: als men dat heeft beaamd, moet men erkennen dat de wereld door hun wijsheid wordt bestuurd. Het tweede deel laat zien dat alle dingen onderworpen zijn aan een met bewustzijn begiftigde natuur en zich daardoor op een prachtige manier voltrekken. Als men dit heeft vastgesteld, volgt eruit dat ze vanuit levende beginselen zijn voortgekomen. Het derde punt is afgeleid van de bewondering die we voelen voor de dingen van hemel en aarde.

Over naar het eerste argument. Je kunt natuurlijk ontkennen dat er Goden bestaan. Democritus doet dat op een bepaalde manier door met ‘afbeeldingen’ aan te komen zetten, en Epicurus met ‘beelden’. Maar wie het bestaan van de Goden aanvaardt, die moet erkennen dat ze ook iets doen, en wel iets voortreffelijks. Welnu, er is niets voortreffelijkers dan het bestuur over de wereld; dus wordt zij bestuurd door de wijsheid der Goden. Zoniet, dan moet er in elk geval iets hogers en machtigers bestaan dan de Godheid, van welke aard ook, of het nu levenloze natuur is of een lotsnoodzaak die met grote kracht voortgaat alle schitterende dingen te scheppen die wij zien. Maar dan is het wezen der Goden dus niet oppermachtig en niet uitmuntend, voorzover het immers onderworpen is aan die lotsnoodzaak dan wel natuur waardoor hemel, zee en aarde worden geleid. Maar niets staat hoger dan de Godheid, dus moet de wereld door hem geleid worden. Aan geen enkele natuur is de Godheid dus ondergeschikt of onderworpen: hij leidt derhalve zelf heel de natuur.

Verder, als we aanvaarden dat de Goden intelligent zijn, aanvaarden we tevens dat ze voorzienig zijn en wel in de belangrijkste dingen. Zouden ze dus niet weten welke zaken het belangrijkst zijn en hoe die aangepakt en beheerst moeten worden, of zouden ze misschien niet de macht hebben om zaken van zulk gewicht op zich te nemen en te dragen? Maar onwetendheid is aan het wezen der Goden vreemd, en moeite om een bepaalde taak op zich te nemen vanwege zwakheid valt volstrekt buiten de goddelijke majesteit. Waaruit blijkt wat wij beweren: de wereld wordt bestuurd door de voorzienigheid van de Goden.

Aangezien de Goden bestaan (aangenomen dat ze bestaan, zoals ook werkelijk het geval is), moeten ze ook levend zijn, en niet alleen levend maar ook in het bezit van rede. En ze moeten dan onderling verbonden zijn in een soort burgergemeenschap en ‑samenleving, waarbij ze de leiding hebben over deze ene wereld als over een gemeenschappelijke staat of stad.

Hieruit volgt dat ze dezelfde rede hebben als de mens en dat voor beide dezelfde waarheid geldt, dezelfde ‘wet’ die het juiste voorschrijft en het verkeerde verbiedt. En hieruit kun je begrijpen dat praktisch inzicht en geest bij de mensen van de Goden komen. Om die reden zijn in het bestel van onze voorouders Geest, Trouw, Deugd en Eendracht vergoddelijkt en publiekelijk met tempels geëerd. Hoe zou het mogelijk zijn te ontkennen dat zij onder de Goden verkeren, wanneer wij hun afbeeldingen plechtig en devoot aanbidden? En als de mensheid geest, trouw, deugd en eendracht bezit, waar anders vandaan kunnen die dan zijn afgedaald naar de aarde dan van de hemelmachten? En daar wij wijsheid, rede, praktisch inzicht hebben, moeten de Goden diezelfde eigenschappen in nog veel sterkere mate hebben, en niet alleen hebben, maar ook gebruiken, bij de grootste en belangrijkste zaken.

Maar er is niets hogers of beters dan de wereld; zij moet dus door de wijsheid en voorzienigheid van de Goden worden bestuurd.

Tenslotte, aangezien we nu genoeg bewijzen hebben geleverd voor de goddelijkheid van de wezens wier bijzon­dere macht en buitengewone pracht wij kunnen zien ‑- ik bedoel zon en maan en de zwervende en vaste sterren, de hemel, de wereld zelf en al die dingen ter wereld waar de mens zo veel voordeel en gemak van heeft -‑ dan moet de conclusie luiden dat alles wordt geleid door een godde­lijke geest en een goddelijk inzicht."

(boek 2, 75-80)


---

Eerste uitgave:

Cicero, De goden
vertaald door Vincent Hunink, inleiding J.den Boeft
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1993

x

---


 

Recensies

 

De meest uitvoerige beschouwing verscheen van de hand van P i e t   G e r b r a n d y in De Groene Amsterdammer van 30 maart 1994.

Daarin geen nader oordeel over de vertaling.


Ook een mooi stuk van H a n s   O r a n j e in Trouw van 29 januari 1994.

'Levendige vertaling' is daar de enige qualificatie die op de vertaling zelf betrekking heeft.

===

De heruitgave van 2018 is op meer plaatsen besproken

uit de recensie door N i c o l e   J a n s s e n   op www.archeologienederland.nl

'De vertaling is geschreven door Vincent Hunink. Het is zeker een aanrader voor geďnteresseerden. Het leest fijn en het geeft het debat goed weer door de duidelijke weergave van de verschillende standpunten. Rogier van der Wal heeft het boek een veelomvattende intro gegeven.'

volledige tekst

===

Uit de bespreking door A n n e t   v a n   W i e c h e n   op www.oudweb.nl

'Fijn, dat deze vertaling opnieuw is uitgegeven!
Een aanrader voor iedereen die meer wil weten over de Romein en zijn religie(s)!'

volledige tekst


===


interview n.a.v. de vertaling in Amphora 37,2 (juni 2018), XIV-XVI


===


Boek is gesignaleerd in grote bespreking 'geloofden de Grieken hun godenverhalen eigenlijk zelf?' door M a r c   J a n s s e n s  in Nederlands Dagblad van 24 augustus 2018.
Over de vertaling en het nawoord staat hierin niets specifieks vermeld.

===


 

 


Andere Cicero-bijdragen op Vincenthunink.nl


latest changes here: 6-5-2018

 



HOME VH / vincenthunink.nl

(c) 2018 V. Hunink

copyright statement  / contact